“Ben je boos?”

2 april 2019 Geen categorie

Door Lotte Bertens

In 1943 publiceerde psychiater Leo Kanner een artikel waarin hij elf kinderen omschreef die allemaal dezelfde kenmerken hadden. Ze hadden weinig behoefte aan sociaal contact, konden continu dezelfde bewegingen herhalen en kregen een driftbui wanneer hun routines werden verstoord. Kanner noemde dit syndroom autisme. Zijn observaties waren de start van een wereldwijde wetenschappelijke interesse naar het ontstaan van autisme en ook nu wordt hier nog veel onderzoek naar gedaan. Toen ik zelf op vijftienjarige leeftijd begon met het doen van vrijwilligerswerk in de gehandicaptenzorg, was autisme voor mij nog een relatief onbekend begrip. In de jaren die volgden, raakte ik gefascineerd door de uiteenlopende kenmerken en begon ook ik me af te vragen wat daaraan ten grondslag ligt. Het heeft er toe geleid dat ik neurowetenschappen ben gaan studeren en ook, inmiddels acht jaar later, nog steeds voor dezelfde organisatie werk. Vandaag, op 2 april, is het Wereld Autisme Dag: een goed moment om te bekijken wat ik in de loop der jaren heb geleerd.

Eén van de dingen die mij al snel opviel, is dat mensen met autisme de emoties van een ander niet altijd goed herkennen. Zo worden angst en verdriet niet altijd opgemerkt of worden emoties soms verward. Eén van mijn cliënten denkt bijvoorbeeld regelmatig dat een andere cliënt boos op haar is, terwijl dit vrijwel nooit het geval is. De vraag “ben je boos?” leidt na meerdere herhalingen echter vanzelf tot enige irritatie en dus is het oplossen van dit soort miscommunicaties een belangrijk deel van mijn takenpakket. Ook in de wetenschap is er veel onderzoek gedaan naar de emotieherkenning van mensen met autisme en uit meerdere studies blijkt dat zij inderdaad vaker de emoties van een ander niet correct herkennen. Dit hangt overigens wel af van waar binnen het autismespectrum de deelnemers zich bevinden, aangezien de ene persoon meer problemen kan ervaren dan de ander.

Om te kijken waar de verminderde emotieherkenning door wordt veroorzaakt, moeten we een kijkje nemen binnen de neurowetenschappen. Met behulp van hersenscans kunnen neurowetenschappers zien welke hersengebieden bij mensen met autisme anders functioneren. Neem bijvoorbeeld de amygdala, ook wel amandelkern genoemd. Deze kern speelt een belangrijke rol bij het herkennen van emoties en is bij mensen met autisme verminderd actief bij het zien van een emotioneel gezicht. Ook is er veel onderzoek gedaan naar de zogenaamde spiegelneuronen. Dit zijn hersencellen die actief worden wanneer je zelf een bepaalde emotie ervaart én wanneer je diezelfde emotie bij iemand anders ziet. Goede doelen maken bijvoorbeeld handig gebruik van deze cellen door bij het werven van donaties gebruik te maken van foto’s die bepaalde emoties oproepen, zoals een huilend kindje. Bij het zien van deze foto worden je spiegelneuronen geactiveerd en voel je als het ware de emotie die het kind op de foto ook voelt. Hierdoor ben je sneller geneigd om geld te doneren. Het blijkt echter dat bij mensen met autisme de spiegelneuronen niet altijd actief worden bij het zien van andermans emoties, wat zou kunnen verklaren dat die emoties niet altijd correct worden herkend.

Een verminderde emotieherkenning wordt dus deels veroorzaakt doordat de hersenen anders functioneren dan normaal, maar ander onderzoek laat nog iets anders zien. Door gebruik te maken van een apparaatje dat oogbewegingen registreert, is gebleken dat mensen met autisme bij het zien van een foto gemiddeld minder aandacht besteden aan gezichten. Ook heeft onderzoek getoond dat er bij het zien van een gezicht minder wordt gekeken naar de ogen en de mond, terwijl juist deze gebieden veel informatie bevatten over de emotie die iemand ervaart. Het lijkt er dus op dat een verminderde emotieherkenning ook deels veroorzaakt wordt doordat de aandacht simpelweg naar andere dingen uitgaat. Er zijn dan ook verschillende manieren bedacht om de aandacht van autistische mensen juist op de ogen en de mond te leggen. En met succes! Dit soort trucjes leiden inderdaad tot een betere herkenning van emoties en normaliseren ook de activiteit van bepaalde hersengebieden, zoals de amygdala.

Dus, de volgende keer dat mijn cliënt denkt dat een andere cliënt boos op haar is, zal ik haar eerst vragen om eens goed naar de ogen van diegene te kijken. De ervaring leert mij namelijk dat die andere cliënt alleen écht boos is als ze met een enorme frons rondloopt. Het zou voor beide fijn zijn als zij dit ook gaat inzien.


< Terug